'Bovenal ben ik een dichter'

'In alles?' 

'In alles'. 

 

Bernard Dewulf in gesprek met Wim Helsen in Winteruur (2019)

Bernard Dewulf (Brussel 1960), dichter, essayist, toneelschrijver, columnist.

Hij overleed op 23 december 2021, onverwachts, amper 61 jaar oud.

Ik hoor het nieuws van zijn overlijden op Radio 1. Het komt als een schok, niet te bevatten. De man die verbaasde met wat hij zag omdat hij keek, de man die met zijn rake woorden en zachte verzen deed glimlachen, de man van het zinnelijke, is niet meer.

Ik blader stil door Kleine dagen, zijn bekendste boek, waarin hij over zijn gezin schreef. Ik koester de columns die ik uitscheurde en bewaarde. Ik denk aan het boek met zijn schrijfsels over de zee. Ik lees ontroerd de reacties van velen, verrast, ontdaan door dit onverwacht afscheid.

Zijn stijl, zijn toon, het maakte hem uniek. Zijn column in De Standaard Magazine van zaterdag 20 november 2021 krijgt plots een andere draagwijdte.

Dag Bernard Dewulf.  Ik las je graag. Ik mis je taal nu al.  

Joske 

 

COLUMN 

Bang

 

Bernard Dewulf

Zaterdag 20 november 2021 

 

Ik zit wakker. Dat kan ik zowel overdag als ’s nachts. Nu is het nacht. Overdag is het anders. Dan moet ik wakker zien te blijven zitten van het wakker zijn in de nacht.

Ik zit in de tuinstoel. Ik ben een wakkere burger.

Het is donker en koud. Tegen dat laatste ben ik ingeduffeld. Tegen het eerste zeg ik ineens hardop: ‘Ik ben bang.’ Het gekke is dat ik het niet zeg met mijn eigen stem.

Ik schrik er niet van. Ik herken mijn andere stemmetje meteen. Het is oud en hoog. Ik heb het haast twintig jaar niet meer gehoord of gebruikt. Sinds ik avond na avond voorlas voor de kleine dochter uit een geliefd boek, Welterusten Kleine Beer.

Magische momenten waren het.

In dat boek zegt een kleine beer, die moet slapen van Grote Beer, regelmatig, gaande de nacht, ‘Ik ben bang’. Telkens weer vraagt Grote Beer ‘Waarvan?’ en zegt Kleine Beer ‘Van het donker’.

Uiteindelijk kreeg Grote de Kleine Beer altijd toch in slaap, zoals ik de dochter.

Voor de Grote Beer gebruikte ik een soort bariton-, voor de Kleine Beer een soort falsetstem. Nu was die laatste dus ineens terug, in een koude grondeloze nacht. De dochter was al lang volwassen en ik blijkbaar weer de Kleine Beer.

Intussen richtte ik me nog slechts hardop tot mezelf. ‘Ik ben bang.’ Ik klonk nu meer als een castraatstem. ­Gelukkig sliepen alle buren, en ook het huis was met de jaren ingedommeld waarin ik ooit avond na avond voor­gelezen had.

Het zou anders een vreemd, afgrijselijk kermen zijn geweest.

En hoe ik ook zocht, nergens vond ik de baritonstem terug. Grote Beer leek schielijk verdwenen. En het was alsof ik zelf was opgelost. In de angst. Van de Kleine Beer.

Nergens meer was er een Grote Beer.

En dat, bedacht ik in die koude nacht in de tuinstoel, is misschien wel het begin en het einde van elke wezen­lijke, onherleidbare, naakte angst: er is geen Grote Beer meer.

Nu zitten we er alleen voor.

Niet alleen is er niemand meer die Grote Beer voorleest, er is ook niemand meer die hem belichaamt. Tenzij ik zelf. Die nu op zijn beurt zegt tegen de af­wezige Kleine Beer, ‘ik ben zo bang’.

De rollen zijn nu omgekeerd.

Naarmate Kleine Beer het minder wordt, bang, wordt Grote Beer het meer. Misschien is dat normaal.

En zo zittend op de bank in de koude donkere nacht, onder de dekens, rijst nu stilaan zowat elke nacht de vraag: waarvandaan is met de jaren de angst gekomen, gewassen, gegroeid in de ­Grote Beer, die ooit soeverein al voorlezend elke avond de kleine angsten uit haar, de Kleine Beer, zijn dochter, weg las?

Met de falsetstem die zij ademloos geloofde, en met de baritonstem waarnaar hij nu radeloos op zoek is. In al de stemmen, alleen op de tuinstoel in de nacht, die hij ooit heeft aangenomen en die uiteindelijk, voorspelbaar, maar tot één ding leiden: de laatste verstomming.

Het sprakeloze.

© Klara.be

 

BERNARD

 

Hij leerde me te zien wat ik niet zag:

 

licht dat zo aandachtig is gaan liggen in het wintergras

dat het de wereld zwijgen doet, enkel een deken vraagt,

een asbak, de oplettende afwezigheid op een terras

van het gedicht dat zich nog schrijven moet,

 

hoe uit een veeg en nog een veeg de verf ontstaat

en uit de verf een vrouw die iets onzichtbaars openlegt

dat men alleen herkent als men de ogen bodemloos

gesloten heeft, en dan ontwaakt in het besef

 

alleen te zijn, volstrekt alleen, in deze kamer vol rumoer

waarin men wordt gelezen, wordt geliefd,

en niemand die het ziet, dat er geen vloer meer is,

alleen een afgrond, diep, oneindig diep

 

waarin men valt en vallen blijft, tot aan het eind

men iemand ziet die men opnieuw

en weer opnieuw, en telkens weer opnieuw

voorgoed verliest.

 

Charles Ducal, boezemvriend, in De Standaard, 31 december 2021

‘Identiteit, mevrouw, is voor mij vooral die andere aan het tafeltje.

Oog in oog. Adem aan adem.

Raadsel tegenover raadsel’

Bernard Dewulf in een column in De Standaard

 

'Zo werkt het bij Dewulf: in taal helderheid creëren over hoe we in onze tijd en in onze wereld staan, de lezer confronteren met filosofische complexiteit. Dat doet hij in het nauwgezette formuleren, vanuit de observatie (dat zintuiglijke kijken van hem) van een kleine, menselijke, herkenbare setting waarin niets nog vanzelfsprekend is, zelfs de keukentafel niet.

Dat moeten zijn lezers voortaan weer in hun eentje doen. Nu mag dit stukje toch even in onvoltooid tegenwoordige tijd blijven staan.'

Marc Reynebeau, in De Standaard, 24 december 2021

een gedicht uit zijn nalatenschap als stadsdichter van Antwerpen 2012-2013

Vertel anderen over ons. Deel deze webpagina met uw netwerk.